De Nederlandse landbouw: een transitie van bulk naar kwaliteit?!

Een Nederlandse vertaling van het eerdere Engelstalige blog (English version)

Het zal begin augustus dit jaar zijn geweest [2017] dat mijn aandacht werd getrokken door een ABN-AMRO-advertentie, waarin gesteld werd dat “Nederlandse agri-producten de laagste milieu-impact ter wereld hebben”, zowel per kg product als op basis van voedingswaarde.
Dat verraste me om verschillende redenen. Het was allereerst natuurlijk mooi om ABN-AMRO plotseling te zien communiceren over thema’s als milieu-impact, CO2-emissies en landbouw, maar het kwam wel een beetje onverwacht. Eerlijke Bankwijzer had recent nog een beroep op ABN-AMRO gedaan om te stoppen met investeren in bedrijven die meewerkten aan de bouw van de North Dakota Access Pipeline en het was ook nog niet zo land geleden dat de bank had aangekondigd haar investeringen in de tabaksindustrie een halt toe te zullen roepen. Tenslotte stond spoorde de nieuwe advertentiecampagne niet echt met mijn – misschien beperkte – indruk van de bedrijfscultuur en -identiteit van ABN-AMRO, onder andere verkregen uit het boek “De Prooi” (2008) van Jeroen Smit.
Los van dat alles, en misschien wel belangrijker: de inhoud van het statement uit de advertentie verbaasde me. Was de Nederlandse landbouwsector dan echt zo milieuvriendelijk? Had ik lange tijd rondgelopen met een incorrecte indruk van de stand van zaken? Als landbouwkundig ingenieur en landbouwwetenschapper leek het mij van belang dit wat nader uit te zoeken. Ik ging op zoek naar een bronpublicatie waarop de ABN-AMRO-stelling over de lage milieu-impact gebaseerd zou kunnen zijn. Al gauw vroeg ik me af of ik misschien iets over het hoofd zag… het enige dat ik kon vinden was een pagina met een link naar een brochure waarin slechts anderhalve pagina gewijd was aan de impact van onze landbouwsector. “Onze landbouw is van huis uit circulair”, werd er betoogd, ”omdat restproducten uit de voedingsmiddelenindustrie het belangrijkste ingrediënt in de diervoederindustrie zijn en plantenresten worden gebruikt als grondstof voor o.a. bouwmaterialen, karton en kunststoffen” (lees ook dit blog over wat er wel en niet circulair is aan de Nederlandse landbouw). Verder natuurlijk de stelling dat Nederlandse producten “wereldwijd de laagste milieu-impact hebben”. De brochure bevatte geen verdere literatuurverwijzingen – slechts een lijstje met auteurs en een vermelding van een organisatie genaamd “Circle Economy”. Aanvankelijk was mijn conclusie dat het hier ging om een staaltje holle marketing, vergelijkbaar met commercials voor “klinisch geteste” beauty crèmes. “Onze produkten hebben de laagste milieu impact ter wereld” – zo’n statement kun je alleen maken als je duidelijk maakt op welke producten hij precies betrekking heeft en hoe “milieu-impact” precies gedefinieerd en gemeten is. Is de invloed van de Nederlandse landbouw op de biodiversiteit in ons land en elders bijvoorbeeld wel meegenomen?
Ondanks het schijnbaar nogal ongefundeerde karakter van de nieuwe ABN-AMRO-campagne veroorzaakte hij toch enige ophef in Nederland. Enkele experts verwaardigden zich te reageren, onder wie prof. Dr. Strijker, bekleder van de Mansholtleerstoel aan de Rijksuniversiteit Groningen. In een column in Boerderij benoemde hij het feit dat de brochure slechts rekening hield met een zeer beperkt aantal vormen van milieu-impact. Zijn voornaamste punt maakte hij echter door de vermaarde WRR-studie “Ground for Choices” te citeren: hoewel ruimtelijk geconcentreerde, intensieve landbouwsystemen (zoals die  in Nederland) inderdaad producten kunnen voortbrengen met een lage milieu-impact per kg, kunnen zulke systemen lokaal ook onwenselijke effecten hebben op de leefomgeving. Strijker sloeg de spijker op zijn kop en het WRR-citaat spoort met de bevindingen van het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL). In haar “Balans voor de leefomgeving 2016” stelt het PBL dat de Nederlandse landbouwsector per eenheid product weliswaar milieu-efficiënt is, maar door haar omvang toch tegen milieugrenzen aanloopt. Het is interessant om te bedenken dat een reactie als die van prof. Strijker ook heel goed uit Wageningen had kunnen komen, aangezien emeritus professor Rabbinge één van de auteurs van de Ground for Choices studie was… maar daarvan was geen sprake.
Voorbeelden van het soort lokaal onwenselijke effecten van intensieve landbouw op de leefomgeving, waarnaar de WRR-studie verwijst, zijn er te over. Nederland is bijvoorbeeld de op één na grootste landbouwexporteur ter wereld en een grote exporteur van dierlijke producten. Om onze enorme veestapel te voeren importeren we grote  hoeveelheden soja uit Noord- en Zuid-Amerika. In Zuid-Amerika leidt sojaproductie tot ontbossing en biodiversiteitsverlies in ecosystemen in de Cerrados. Dichterbij huis veroorzaakt de grootschalige import van veevoer ook problemen: de mineralen (o.a. stikstof, fosfaat) en bestrijdingsmiddelen in de ingevoerde sojabonen komen terecht in dierlijke mest, stapelen zich op in ons kleine land en vormen een bedreiging voor de biodiversiteit en de kwaliteit van het grond- en oppervlaktewater. Daarnaast hebben dierlijke producten over het algemeen een grotere CO2 voetafdruk dan plantaardige producten. Met het oog op het grote aandeel dierlijke producten in onze landbouwexport lijkt het onwaarschijnlijk dat we een lagere CO2 voetafdruk hebben dan landen die verhoudingsgewijs meer plantaardige producten exporteren.
“Bloemen en planten” is een andere exportcategorie waarin Nederland toonaangevend is, met daarin bijvoorbeeld de iconische Hollandse bloembol. Om te zorgen dat een bloembol in perfecte conditie en vrij van ziekten en plagen naar een land als Japan kan worden geëxporteerd, moet deze goed beschermd worden. Afgaand op een artikel in Resource Magazine wendt een bollenteler op een hectare tulpen gemiddeld zo’n 23 kg gewasbeschermingsmiddelen (actief ingrediënt) aan. Alleen bij de teelt van fruitbomen, rozen en chrysanten worden nog grotere hoeveelheden gebruikt en de lelie is koploper met 117 kg actief ingrediënt (!) per hectare.
Er zijn nog voorbeelden te over, maar de strekking van dit betoog is hiermee wel voldoende geïllustreerd: we mogen dan misschien efficiënt zijn, maar we proberen zoveel te produceren in zo’n klein land dat er van goed rentmeesterschap vaak geen sprake meer is. Ook scoren ‘we’ op bepaalde indicatoren (biodiversiteit?) en bepaalde producten (bloembollen?) misschien wel helemaal niet zo goed. Op basis van deze situatie zou men twee heel verschillende conclusies kunnen trekken:
  1. We zijn circulair, efficiënt en internationaal sterk concurrerend, dus we moeten nóg meer produceren. Het lijkt erop dat dit de – niet geheel van eigenbelang gespeende – visie is van ABN-AMRO: de bank probeert met haar brochure boeren immers te verleiden om te investeren. Een mogelijk nadeel van het nog verder verhogen van de landbouwproductie is dat onze generatie een land achterlaat, waarin wilde dieren en planten goeddeels verdwenen zijn. Zo kopte het dagblad Trouw op 2 maart 2019 op de voorpagina dat het aantal weidevogels sinds 1990 landelijk met 40% is afgenomen en in de provincies Gelderland en Zuid-Holland zelfs met 80%. Dat ABN-AMRO juist op dit moment boeren wil verleiden om te investeren met argumentatie dat onze landbouw op de juiste weg zit doet enigszins denken aan een interview in Boerderij in 2016 met schrijver Geert Mak. In dit interview beschuldigde Mak de Rabobank ervan boeren te hebben verleid om te investeren in nieuwe melkstallen toen de melkquota juist op het punt stonden te worden afgeschaft. In Maks optiek had de Rabobank kunnen zien aankomen dat de melkproductie zou exploderen en dat, als gevolg daarvan, de melkprijzen zouden instorten.
  2. We moeten beter rentmeesterschap tonen en ervoor zorgen dat onze landbouwpraktijken duurzaam genoeg zijn om te kunnen worden voortgezet door onze kinderen. Een mogelijk nadeel van het nastreven naar een meer duurzame landbouw in plaats van een meer productieve is dat de inkomens in de landbouwsector achteruit zouden kunnen gaan.
Er is echter een derde optie: een transitie van de productie van bulkgoederen naar duurzame producten van hogere kwaliteit. De laatste kunnen naast milieuwinst ook betere prijzen opleveren, waardoor de landbouwinkomens niet noodzakelijkerwijs zouden hoeven te dalen. Interessant genoeg schreven (nu emeritus) professor J.D. van der Ploeg van Wageningen Universiteit en M. Ettema al in 1990 in hun boek “Tussen Bulk en kwaliteit” het volgende: “De Nederlandse landbouw brengt voornamelijk bulkproducten voort. Hoewel de markt voor hoogwaardige, natuurzuivere producten snel groeit blijkt de landbouw in Nederland daar onvoldoende – en opvallend veel trager dan elders het geval is – op in te springen. Dat is ook niet verwonderlijk: […] de boerenbedrijven in Nederland zijn onderdeel van een voedselproductieketen die boerenbedrijven koppelt aan industriële leveranciers en afnemers. Dat betekent niet alleen dat boerenbedrijven afhankelijk zijn van de industrie, ook zijn het niet langer boeren die met consumenten bepalen wat kwaliteit is. De definitie van kwaliteit wordt steeds meer op fabrieksniveau bepaald. De structuur die zo is ontstaan maakt het voor boeren uitermate moeilijk een eigen weg te gaan. Want al zouden ze willen, industrie, beleid en wetenschap blijken nog steeds gevangen in de opvatting dat een geïndustrialiseerde landbouw de oplossing is voor alle problemen”.
Op het moment van schrijven van de originele versie van dit blog [2017 – SdV], 27 jaar na publicatie van “Tussen Bulk en Kwaliteit” en op de dag af 55 jaar na het verschijnen van Rachel Carson’s “A Silent Spring” wordt het paradigma van een industriële, efficiënte landbouw nog steeds overal rondgebazuind. Een recent voorbeeld is het National Geographic artikel “This tiny country feeds the world”, dat wereldwijd veel aandacht kreeg. De woorden “biodiversiteit” en “landschap” komen in het artikel niet voor, maar, schijnbaar ter ondersteuning van het paradigma van de efficiënte industriële landbouw, droeg Wageningen University & Research (WUR) wel bij aan het verhaal. Nederland als toonaangevend internationaal voorbeeld??
Gelukkig zijn er, ook binnen de WUR, alternatieve visies en het debat over de toekomst van onze landbouw duurt voort. Interessante illustraties daarvan zijn recente [2017 – SdV] publicaties over natuur-inclusieve landbouw en werk aan korte productieketens, waarin industrie en supermarkt aan de kant worden gezet en lokaal geproduceerd voedsel direct van teler naar consument gaat. In 2018 opende WUR bovendien de  “Proeftuin Agroecologie“, waar geëxperimenteerd wordt met natuur-inclusieve landbouw. Het is in dit verband ook nog relevant de visie van de heer Mommaas, directeur van het PBL te noemen. In een interview in NRC pleitte hij, net als Van der Ploeg en Ettema al in 1990, voor een transitie van bulk- naar kwaliteitsproductie en stelde hij dat we de keus hebben tussen angstig afwachten of te gaan nadenken over echte veranderingen. Wat er gebeurt hangt voor een groot deel af van de politiek. De huidige minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, Carola Schouten, heeft met de presentatie van haar toekomstvisie Landbouw, natuur en voedsel: waardevol en verbonden’ op 8 september 2018 laten zien dat men zich in Den Haag in ieder geval bewust is van de problematiek. Haar visie geeft aan dat er een verschuiving nodig is van de huidige focus op kostprijsverlaging en opbrengstverhoging naar een focus op minimaal gebruik van inputs als kunstmest en gewasbeschermingsmiddelen. De oplossing die het ministerie voor ogen heeft is kringlooplandbouw, waarbij de akkerbouw vooral dierlijke mest en compost gebruikt om de gewassen te bemesten en de veehouderij vooral lokaal geproduceerd voedsel geeft aan het vee. Dat minister Schouten onze landbouw pas in 2030 getransformeerd willen hebben naar een kringloop (circulaire) landbouw geeft, misschien ten overvloede, nog maar eens aan dat er anno nu nog heel wat af te dingen valt op de kop van de ABN-AMRO brochure “De agrarische sector: Circulair van huis uit”.
Tenslotte: we kunnen de banken en de industrie misschien gedeeltelijk buiten spel zetten, bijvoorbeeld door het creëren van decentrale “agrihoods”. Gezien hun enorme slagkracht op het gebied van marketing en communicatie is het van belang om alternatieve visies op de toekomst van ons land met kracht te communiceren, en bij te dragen aan het debat. Nederland is van ons allemaal, in het bijzonder van onze kinderen, en niet alleen van grote organisaties die een hoop lawaai maken.
Sander de Vries, Kind of Green® Consulting, 28 September 2017 (update maart 2019)