Over biodiversiteit, kruidenrijk grasland en een oud schoolwerkstuk

Studiegebied: een stukje grasland tussen Leeuwarden en Marssum, ingesloten door drie sloten (Foto: Sander de Vries, 1986).

Het is 11 november vandaag, niet alleen de naamdag van Sint Maarten, weet ik sinds tien minuten, maar ook de geboortedag van Kurt Vonnegut Jr., een Amerikaanse schrijver die leefde van 1922 tot 2007. Geboortedagen zijn vaak een mooie aanleiding voor wat reuring op social media en zo kwam er zojuist een mooi en toepasselijk Vonnegut-citaat voorbij: “Teaching, may I say, is the noblest profession of all in a democracy.”
Een mooi begin voor dit stukje. Dat ik het eens ben met Vonneguts stelling is waarschijnlijk niet enkel te danken aan een academische vorming, maar ook aan mijn docenten in het lager en middelbaar onderwijs. Natuurlijk, in de jaren tachtig bestond een substantieel deel van de tijd nog uit woordjes en feitjes stampen, sommen maken en teksten vertalen… dingen die in het huidige onderwijs misschien wel onvoldoende gedaan worden. Toch waren er ook pareltjes van opdrachten bij. Eén zo’n opdracht, die nu relevanter lijkt dan ooit en mij bovendien geïnspireerd heeft, wilde ik hier voor het voetlicht brengen. Is het inspireren van leerlingen niet het hoogste goed in het onderwijs?
Die oude schoolopdracht raakt aan een begrip dat dit jaar vaak is genoemd: biodiversiteit. We maken ons er wereldwijd grote zorgen over en zeker in Nederland, waar we nog maar zo’n 15% van onze oorspronkelijke rijkdom over hebben. Ongeveer de helft van het verlies aan biodiversiteit in Nederland kan worden toegeschreven aan de landbouw, en dan voornamelijk aan het feit dat deze bedrijfstak in de loop van de geschiedenis steeds meer land is gaan innemen. Ook het vermaledijde ’s-woord’, dat Nederland nu al maandenlang in haar greep houdt, speelt weer een rol. Met de import van eiwitrijk veevoer halen we veel stikstof binnen, die via de mest ook in de natuur terecht komt en daar de bodem verrijkt. Planten die het van nature alleen goed doen op voedselarme grond verliezen het daardoor van planten die juist van voedselrijke grond houden. Zo verdringt bijvoorbeeld de brandnetel de zeldzame orchidee. Dit patroon zie je ook terug in de Nederlandse weilanden, waar nog maar weinig bloemen en kruiden groeien. Jammer voor de insecten en de vogels, maar heel verklaarbaar, want direct na het maaien komt de mestinjecteur vaak alweer langs met een verse lading stikstof en fosfaat.
Problemen, problemen… zou een managementgoeroe in zo’n situatie niet zeggen dat je in oplossingen moet denken en niet in problemen? Dat is precies wat de natuur doet. Die ogenschijnlijk kwetsbare plantjes en bloemetjes, die verdwijnen als we ze bombarderen met meststoffen, komen uiteindelijk vanzelf terug als we daarmee stoppen. We kunnen ze natuurlijk ook nog een handje helpen door het inzaaien van inheemse kruidenmengsels. Aantrekkelijk voor vogels en insecten, maar ook voor de boer. Kruidenrijk grasland geeft 10 procent meer drogestofopbrengst in droge periodes dan een traditioneel Engels raaigrasmengsel, met een vergelijkbare kwaliteit. Ook kun je ermee besparen op structuurrijk ruwvoer, medicijnen, kunstmest en mineralensupplementen. En als klap op de vuurpijl kunnen sommige kruiden (zoals klavers) stikstof uit de lucht binden, waardoor we daarvan uiteindelijk minder zouden hoeven te importeren…

Rode Klaver. Deze soort kan stikstof uit de lucht binden, waardoor we minder (kunst)mest en krachtvoer nodig hebben (foto Sander de Vries).

Kruidenrijk grasland en biodiversiteit zijn dus ‘hot’ momenteel. Hoe leuk is het dan om eens te kijken naar een schoolwerkstuk over een stukje kruidenrijk grasland uit 1986? Aan het begin van de tweede klas van het VWO kregen wij, kersverse tweedeklassers, van onze biologieleraar de opdracht om ieder een geschikt stukje natuurlijk terrein uit te kiezen. De bedoeling was dat we die plek dan gedurende enkele maanden intensief in de gaten zouden gaan houden, om de planten en dieren dier er leefden in kaart te brengen en te beschrijven in een werkstuk.
Mijn keuze viel op een klein stukje grasland tussen Leeuwarden en Marssum, aan de Harlingerstraatweg. Waarom? Omdat dat stukje grasland overduidelijk uitpuilde van de kruiden, en ik dus weinig moeite zou hebben om het voor het werkstuk benodigde aantal soorten te ‘scoren’. De kansen werden nog vergroot doordat het perceeltje omringd was door drie sloten – met extra soorten als waterhoentje en wilde eend als bonus.

Door de nabijheid van enkele sloten konden ‘makkelijke soorten’ als waterhoentje en wilde eend (inclusief nest) snel afgevinkt worden (Foto: Sander de Vries, 1986).

Zo gezegd, zo gedaan. De maanden daarna ging ik geregeld bij mijn ‘biotoop’ kijken – een prettige onderbreking van het doordeweekse huiswerk maken. Het was dan een kwestie van je verdekt opstellen en een tijdje niet bewegen, om eventuele schuwe soorten niet te verjagen. En van nieuwgevonden plantensoorten voorzichtig een exemplaar meenemen om thuis te drogen (geen beschermde soorten natuurlijk). Dat ‘jagen’ naar nieuwe soorten ging in het begin natuurlijk makkelijk, maar werd gaandeweg steeds moeilijker, waardoor het uiteindelijk een leuke sport werd. Ook veranderde de soortensamenstelling van het grasland (onderstaande afbeelding) met de tijd. Uiteindelijk bevatte het werkstuk 15 soorten dieren en 25 plantensoorten.

Eenvoudige vegetatiekaart van het studiegebiedje; dit is de uitgangssituatie van begin juni 1986, latere kaartjes laten een andere soortensamenstelling zien (foto: Sander de Vries).

Zou zo’n werkstuk ook in deze tijd niet heel goed passen? De voordelen zijn legio. Scholieren raken bekend met de biodiversiteit in hun eigen omgeving en gaan die (hopelijk) waarderen. Een onopvallend plantje als varkensgras bijvoorbeeld, zou ik waarschijnlijk nooit opgemerkt hebben zonder dat biologiewerkstuk, maar de afgelopen 33 jaar denk ik als ik het ergens zie steevast: “Ha, varkensgras!” en doet het me denken aan dat mooie graslandje aan de Harlingerstraatweg (ik vrees dat het inmiddels onder de voet is gelopen bij het ontwikkelen van nieuwe infrastructuur trouwens). Verder komen scholieren, in ieder geval tijdelijk, meer buiten. Voor het onderwijzend personeel, dat te kampen heeft met een hoge werkdruk, is het een onderwijsvorm die weinig extra werk met zich mee brengt, maar de scholieren flink bezighoudt en hun zelfwerkzaamheid aanmoedigt. Tenslotte zou je het resultaat, in combinatie met moderne informatietechnologie, misschien ook nog kunnen gebruiken voor een soort van ‘citizen science’!

Sander de Vries, november 2019